Zo sliepen je (over)grootouders: poepen in de slaapkamer en bedden vol beestjes
In dit artikel:
Eind negentiende eeuw was naar bed gaan voor veel mensen heel anders dan nu. In arme volksbuurten sliepen gezinnen in krappe, donkere bedsteden die moeilijk schoon te houden waren. Voor het slapen wasten zij zich met koud water, trokken een nachthemd en muts aan en controleerden ze het bed op vlooien en ander ongedierte. Een po en een beddenpan met gloeiende kooltjes stonden klaar voor de nacht.
Een bed bestond meestal uit stro met daarop een gevulde hoes van bijvoorbeeld veren, dons, paardenhaar of zeegras. Kinderen moesten soms op de grond slapen. In de armste woningen ontbraken zelfs bed, kussen en deken en lagen mensen op vodden. Rijkere burgers hadden houten ledikanten of hemelbedden, maar hun slaapkamers waren door tapijten, gordijnen en bedgordijnen vaak stoffig; stofzuigers bestonden nog niet.
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen ijzeren ledikanten op, aanvankelijk zwaar en duur. Met holle buizen en metalen veren werden ze praktischer. Eind die eeuw ontwikkelde Auping in Deventer een spiraalbodem van staaldraad, die de basis vormde voor moderne bedden. Later kwamen matrassen met springveren, kapok en uiteindelijk schuimrubber.
Ook het toilet bevond zich nog lange tijd in de slaapkamer. Arm en rijk gebruikten een po, soms discreet weggewerkt in een stoel. In arme gezinnen diende dezelfde ruimte bovendien als woonkamer en keuken. Wie zonder wekker op tijd moest werken, kon een porder inhuren: iemand die tegen betaling op ramen tikte om bewoners wakker te maken. Toen betaalbare wekkers in de jaren veertig verschenen, verdween dat beroep snel.
Vandaag Inside: Johan Derksen hekelt reactie van deel harde kern Feyenoord op vuurwerkgeweld: 'Verbijsterend!'