Zo haal je goud bij schansspringen

maandag, 29 december 2026 (09:11) - Quest.nl

In dit artikel:

Schansspringen wordt getypeerd als de meest spectaculaire wintersport: atleten glijden in circa tien seconden met snelheden rond de honderd kilometer per uur van een kunstmatig gevormde schans, komen los en zweven slechts een paar meter boven de sneeuw. De traditionele nieuwjaarswedstrijd in Garmisch-Partenkirchen is een van de beeldbepalende momenten waarop het publiek deze durfals ziet.

Een bekend gezicht uit het circuit is Sara Marita Kramer — opgegroeid in Oostenrijk maar met Nederlandse wortels — die zich in korte tijd ontwikkelde tot de meest succesvolle Nederlandse schansspringster. Kramer beschrijft hoe ze iedere sprong uitvoerig visualiseerde, zodat bij de start alles automatisch verloopt. Ze benadrukt ook het risico van de sport: valpartijen en blessures horen erbij, en een coach is altijd noodzakelijk omdat een springer bovenaan de toren geen overzicht over de condities beneden heeft.

Technisch bestaat een sprong uit vier fasen:

- Inrun: de atleet neemt plaats op de startbalk en zoekt maximale snelheid door zich klein te maken. De helling loopt steil; pas bij het eindvlak, de 'tafel', ontstaat de lift doordat de berghelling erachter nog steiler is. Snelheid is cruciaal — een fractie verschil kan het resultaat maken of breken, zegt biomechanica-expert Gertjan Ettema (NTNU).

- Afsprong: in ongeveer 300 milliseconden strekken springers zich volledig uit. Timing, hoek en kracht moeten zeer precies zijn; de overgang van de glijbaan naar de tafel veroorzaakt een draaimoment in het lichaam dat omgezet moet worden in voorwaartse energie. Te weinig of te veel correctie vermindert de afstand.

- Vlucht: hier draait alles om lift en luchtweerstand. Aerodynamica-expert Wouter Terra (TU Delft) legt uit dat atleten zich zo plat en breed mogelijk maken om draagvermogen te maximaliseren en weerstand te minimaliseren — in wezen veranderen ze in vliegers. De stijl evolueerde: van armen vooruit tot strak langs het lichaam, daarna de V-vorm van de ski’s, en experimentele varianten als een H-vorm om meer lift te krijgen. Ondanks het 'vliegen' blijft de afstand tot de grond klein — ongeveer drie meter — wat de risico’s beheersbaar houdt.

- Landing: jurering kijkt niet alleen naar de afstand maar ook naar stijl en techniek. Een correcte telemark-landing (licht voor één been geplaatst) verhoogt de score omdat die stabiliteit en beheersing aantoont. Wie onrustig in de vlucht is, verliest punten.

De sport heeft in twee eeuwen enorme sprongen in afstand doorgemaakt: waar ooit tien meter al veel was, haalde Peter Prevc tien jaar geleden 250 meter — in de discipline skivliegen, met nog grotere schansen. Toch blijft het gevaarlijk; een jong Nederlands talent, Jermo Ribbers, overleed in 2008, wat de voortdurende noodzaak van veiligheid en coaching onderstreept.

Naast techniek komt ook valsspelen voor, vooral met pakken die extra ruimte rond het kruis creëren om meer draagvlak te krijgen. Regelgeving probeert dit tegen te gaan: kleding en materiaal zijn strikt voorgeschreven. Tot slot zijn er zeldzame voorbeelden van springers die buiten hun sport faam verwierven, zoals Eddie "the Eagle" Edwards, die ondanks slechte resultaten populair werd vanwege zijn uitstraling.

Kramer is inmiddels gestopt, maar mist de unieke mix van adrenaline en vrijheid tijdens het vliegen — dat gevoel van even onaantastbaar zijn als je los van de balk de lucht ingaat.