Vinken? Nee, dít was het lievelingsdier van Charles Darwin
In dit artikel:
Charles Darwin wordt vaak met de Galapagovinken geassocieerd: die vogels met uiteenlopende snavelvormen gelden als hét beeld van zijn evolutietheorie. In werkelijkheid bracht Darwin op de Galápagos-eilanden slechts circa vijf weken door tijdens zijn vijf jaar durende reis met de HMS Beagle, en de beroemde vinken kwamen in zijn latere magnum opus Het ontstaan van soorten zelfs niet een keer voor. De populaire link tussen Darwin en de vinken is dus grotendeels later ontstaan; Darwin zelf gaf meer aandacht aan andere organismen.
Tijdens de Beagle-reis raakte Darwin juist gefascineerd door zeepokken die hij langs de Chileense kust aantrof. Een schelp vol schaalloze zeepokken nam hij mee naar Engeland, maar pas nadat hij ongeveer tien jaar aan zijn evolutietheorie had gewerkt, heropende hij die doos. Onder impuls van zijn vriend botanicus Joseph Hooker begon Darwin systematisch zeepokken te vergelijken met bestaande beschrijvingen en ontdekte dat het vakgebied rommelig en onvolledig was. Dat leidde tot een intensieve periode van acht jaar waarin hij allerlei zeepokken nauwkeurig beschreef — tot hij na verloop van tijd genoeg had en zelfs verklaarde de dieren te haten.
Andere passies van Darwin waren minder wetenschappelijk exotisch maar minstens zo bepalend voor zijn denken. In Het ontstaan van soorten gebruikt hij uitgebreid sierduiven als voorbeeld van kunstmatige selectie: fokkers selecteerden eigenschappen zoals opgezwollen kelen of bijzondere staartpluimen en konden zo binnen korte tijd sterke variatie binnen één soort produceren. Die vergelijking tussen menselijk fokken en natuurlijke selectie was kernachtig voor zijn betoog; Darwin hield zelf van duiven en fokte exemplaren als pauwstaarten en kroppers.
Aan het einde van zijn leven raakte hij gefascineerd door zeer gewone bodemdieren: regenwormen. Door experimenten en waarnemingen concludeerde hij dat wormen grote invloed uitoefenen op de structuur en vruchtbaarheid van grond — stenen verdwijnen, aarde wordt verplaatst en omgezet — en hij organiseerde kleine proeven met familieleden om gedrag en reacties te testen. Zijn studie over wormen toont hoe ook onopvallende organismen belangrijke ecologische rollen vervullen.
Darwin had ook een voorliefde voor vleesetende planten, vooral zonnedauw. Hij experimenteerde erop los met allerlei stoffen om hun vang- en verteringsgedrag te bestuderen en zag bij deze planten een vorm van prikkelgevoeligheid die hem deed denken aan zenuwachtige reacties bij dieren. Die observaties voedden zijn interesse in grensgebieden tussen planten- en dierlijk gedrag.
Privé was Darwin een groot hondenliefhebber vanaf zijn jeugd. Honden uit zijn familie en zijn eigen terriër Polly waren trouwe metgezellen; zijn band met die huisdieren bleef zijn hele leven een constante. Daarnaast stond Darwin bekend om zijn smaak voor vreemde etenswaren: tijdens zijn studententijd richtte hij samen met studiegenoten een “glutton club” op om ongewone dieren te proeven, en op reis at hij zaken als gordeldier, iguana, schildpad en poema.
Kortom: hoewel de Galapagovinken symbool zijn geworden van Darwins theorie, weerspiegelt dat beeld niet volledig waar zijn wetenschappelijke hart lag. Darwin was een veelzijdige onderzoeker die zich vrijwillig stortte op uiteenlopende organismen — van zeepokken en duiven tot zonnedauw en regenwormen — en telkens verbanden zag die zijn denken over variatie, selectie en de werking van de natuur verdiepten.