TU Delft gaat zomerwarmte 200 meter onder de grond opslaan voor de winter
In dit artikel:
Onder de campus van de TU Delft wordt gewerkt aan een systeem om overtollige aardwarmte uit de zomer ondergronds op te slaan voor gebruik in de winter. De geothermiebron levert sinds februari 2026 warmte aan gebouwen en studentenwoningen op de campus. Daarvoor zijn op ongeveer twee kilometer diepte twee putten geboord: één om warm water omhoog te pompen en één om afgekoeld water terug te brengen.
Later dit jaar komen daar twee putten bij op circa 200 meter diepte. Die worden aangelegd in een waterdoorlatende zandlaag met een opslagvolume van ongeveer 500.000 kubieke meter. In de zomer, wanneer de warmtevraag lager is dan het aanbod, wordt heet water in deze laag geïnjecteerd. In de winter kan het weer worden opgepompt om tekorten in het warmtenet aan te vullen.
De bron en de bijbehorende warmtepompcentrale leveren samen ongeveer 15 megawatt, terwijl de piekvraag in de winter kan oplopen tot 45 megawatt. De opslag zou in een gunstig scenario ongeveer de helft van het tekort kunnen dekken: circa 15 megawatt. Daardoor zijn minder gasketels nodig en kan de CO₂-uitstoot ten opzichte van een systeem met alleen geothermie met ongeveer 20 tot 35 procent dalen. Van de opgeslagen warmte kan uiteindelijk naar verwachting circa 80 procent worden teruggewonnen, nadat de bodem voldoende is opgewarmd.
Ondergrondse warmteopslag kent technische risico’s. In eerdere proefprojecten uit de jaren zeventig raakten putten geregeld verstopt doordat kalk neersloeg wanneer heet water in de bodem werd gebracht. Ook waren sommige projecten te klein opgezet, waardoor relatief veel warmte aan de randen van het opslagvolume verloren ging. In Delft wordt daarom waterbehandeling toegepast: door CO₂ toe te voegen wordt het water iets zuurder en blijft kalkafzetting uit.
Een Nederlands voorbeeld is een succesvol systeem in Middenmeer, waar al vier à vijf jaar jaarlijks 150.000 tot 200.000 kubieke meter water van ongeveer 80 graden wordt opgeslagen voor de verwarming van kassen. Het Delftse project is complexer, omdat het een warmtenet met verschillende soorten gebouwen en wisselende warmtevraag bedient. Bovendien is de ondergrond van de stad al intensief in gebruik. De ontwerpers moesten voorkomen dat de opslag andere bodemenergiesystemen zou opwarmen.
Volgens universitair hoofddocent Martin Bloemendal is seizoensopslag de komende decennia noodzakelijk om de warmtetransitie en CO₂-doelen te halen. Het project is tegelijk een onderzoeksprogramma. De onderzoekers volgen in realtime hoe het warme water zich door de ondergrond verplaatst en vergelijken die metingen met hun modellen. Zo willen ze de werking van de opslag verbeteren en kennis ontwikkelen voor toekomstige systemen.
Vandaag Inside: Rob Jetten over belastingplan: 'Kiezen echt voor vooruitgang voor mensen en bedrijven'