Terugblikken op 2025? Nostalgie was lange tijd een psychische ziekte
In dit artikel:
Nostalgie was lange tijd geen gezellig gevoel maar een medische aandoening. De term werd in 1688 door de Zwitserse geneeskundestudent Johannes Hofer geïntroduceerd: etymologisch gaat het om pijn (álgos) door verlangen naar terugkeer (nóstos). Hofer beschreef het als een intens leed van mensen die ver van hun vaderland verbleven en vreesden nooit meer terug te keren.
In de 17de tot 19de eeuw werd nostalgie vooral onder soldaten gezien en gedocumenteerd tijdens Europese oorlogen. Er zijn zelfs uitbraken beschreven, bijvoorbeeld in het Russische leger in 1733. Het verschijnsel werd deels als morele zwakte bestempeld — soldaten die heimwee kregen wilden weg — maar ook als een echte lichamelijke aandoening. Artsen koppelden nostalgie aan angst, depressieve verschijnselen, slaapproblemen en verlies van eetlust; wie niet kon terugkeren, bleek vaker ziek te worden of te sterven.
De behandelingen waren gericht op het bestrijden van symptomen en het ‘corrigeren’ van een verstoorde verbeelding, niet op psychotherapie zoals we die nu kennen. Behandelingen liepen uiteen van laxerende diëten en verdovende middelen tot, in de praktijk het effectiefst, het daadwerkelijk naar huis sturen van de patiënt. Thuiskomst leidde vrijwel altijd tot herstel; degenen die dat niet bereikten, raakten soms gek of stierven.
In de loop van de 19de eeuw veranderde het perspectief: nostalgie werd minder als fatale ziekte gezien en meer als een tijdelijke emotionele toestand. Vandaag heeft het woord vaak een positieve bijklank — het oproepen van oude foto’s, liedjes of herinneringen als warm bijgevoel — maar in de psychologie is de term niet volledig verdwenen. Hedendaagse onderzoekers benadrukken dat nostalgie geen geldige klinische categorie meer is, maar dat het begrip nuttig blijft om fenomenen als heimwee, verlies en culturele vervreemding te begrijpen en bij coping van immigranten en ontheemden te ondersteunen.