Strijd tegen water: hoe het IJsselmeer vroeger gewoon land was

donderdag, 11 december 2025 (09:11) - Quest.nl

In dit artikel:

Onder de laagjes zand en klei van de Flevopolder ligt een chronologie van watergeweld en menselijke tegenzet: van prehistorisch oerbos via veenmoerassen en een enorm binnenmeer tot de Zuiderzee en uiteindelijk de droogmakerijen van de twintigste eeuw. Landschapshistoricus Theo Spek benadrukt dat veel bewoners van de polders zich niet realiseren hoe diep die geschiedenis onder hun voeten reikt.

Het verhaal begint ruim 12.000 jaar geleden, na de laatste ijstijd, toen op de huidige bodem van het IJssel- en Markermeer dikke zandlagen de wortelbodem van uitgestrekte bossen vormden. Langs de destijds stromende riviertjes woonden mensen; archeologen vinden werktuigen, sieraden en zelfs oeroude akkers en ossenkoppen. Met het stijgen van de zeespiegel en het ophopen van water veranderde dat bosland in drassig veen. Plantenresten werden in de zure omstandigheden bewaard en vormden een veenlaag, waarin nederzettingen soms langzaam verzopen, maar mensen bleven ook vissen met fuiken en leven langs het water.

Het kleine meer dat ontstond kreeg later de naam Flevo Lacus (Flevomeer), en in de vroege middeleeuwen stond het bekend als Aelmere — mogelijk verwijzend naar aalvangst of een oud Germaans woord voor ‘groot meer’. Door ontginningen tussen circa 1000 en 1300 probeerden bewoners veengebieden droger te maken met greppels en sloten, waardoor er landbouwgrond ontstond. Die ingrepen verzwakten echter het veen: ontwatering liet bodems inklinken, waardoor ze lager kwamen te liggen en kwetsbaarder werden voor de zee.

In de loop van de middeleeuwen won de zee terrein. Een reeks stormvloeden, waaronder de Allerheiligenvloed van 1170, doorbrak de landbrug tussen het Aelmere en de Noordzee. Rond 1300 was het grote binnenmeer opengewaaierd en brak de Zuiderzee door: zout water kreeg toegang, er kwamen getijden en nieuwe vissersplaatsen langs de randen. Sommige eilanddorpen, zoals Nagele, werden door de golven weggerukt.

De wederzijdse wisselwerking tussen verliezen aan land en winst aan zee leidde uiteindelijk tot een Nederlandse tegenaanval. Ingenieur Cornelis Lely presenteerde al in 1890 een plan om de Zuiderzee met dijken af te sluiten en via polders land terug te winnen. De uitvoering liet op zich wachten tot een zware stormvloed in 1916 de politieke besluitvorming versnelde; de Afsluitdijk was in 1932 klaar en maakte een einde aan de open verbinding met de Noordzee. Het zout water sloeg om in zoet IJsselmeer; later werd een deel daarvan het Markermeer (1976) na het aanleggen van de Houtribdijk.

Als onderdeel van de Zuiderzeewerken zijn vanaf 1938 grote droogmakerijen gerealiseerd: eerst de Noordoostpolder, daarna Oostelijk en Zuidelijk Flevoland — stof waarop steden als Emmeloord, Lelystad en Almere verrezen. De bovenste laag van de huidige polders varieert: stedelijke bouwplaatsen kregen extra zand voor draagkracht, elders ligt direct de oude zeeklei aan de oppervlakte. Sommige plannen mislukten omdat de bodem te nat bleek — dat is mede de reden dat het gebied dat oorspronkelijk voor industrie bedoeld was nu de Oostvaardersplassen heet.

De geschiedenis is geen afgesloten hoofdstuk. Politieke voorstellen — zoals een plan van D66 om een stuk Markermeer in te polderen voor een nieuwe stad — roepen vragen op over ecologische schade en haalbaarheid. Tegelijk stijgt de zeespiegel en nemen extreme weersomstandigheden toe, wat floodmanagement opnieuw op de agenda zet. Hedendaagse maatregelen omvatten het tijdelijk toelaten van water in overloopgebieden om elders overstromingen te voorkomen. Zoals Spek het samenvat: water beheersen blijft een voortdurende uitdaging; het ‘landjepik’-spel tussen mens en water is nog niet uitgespeeld.