Sproetjes? Zo probeerden vrouwen ze vroeger uit te roeien
In dit artikel:
Sproeten golden in Nederland en het Westen lange tijd als een ontsierend gebrek, vooral bij vrouwen. In de jaren dertig tot vijftig probeerden fabrikanten die af te schilderen als een probleem, naast puisten, rimpels en andere huidvlekken. Vrouwen kregen smeersels, karnemelk- en eiwitmaskers aangeprezen en moesten hun gezicht tegen de zon beschermen met voiles, brede hoeden en grote parasols.
Ook in de populaire cultuur hadden sproeten een slechte reputatie. In boeken werden schurken opvallend vaak met een gevlekt gezicht beschreven, terwijl vrouwen zich in brieven aan damesbladen bezorgd afvroegen hoe ze ervan af konden komen. Een uitzondering was de Amerikaanse filmster Dorothy Coonan, die in de jaren dertig juist bekendstond om haar 182 sproeten. Ze liet ze voor 100.000 dollar verzekeren, maar werd vanwege die keuze als merkwaardig beschouwd.
Na de Tweede Wereldoorlog begon het vlekkeloze schoonheidsideaal geleidelijk te barsten. Vanaf de jaren zestig pasten sproeten beter bij de groeiende waardering voor individualiteit en onderscheid. Ze werden niet langer alleen lelijk gevonden, maar konden een gezicht juist iets speels of aantrekkelijks geven. Het lied ‘Zomersproetjes’ van Rocco Granata uit 1972 versterkte dat nieuwe imago.
Toen duidelijk werd dat sproeten onschuldige pigmentvlekjes zijn en geen huidziekte, verdwenen ze steeds verder uit de taboesfeer. Modebladen benadrukten hun jeugdige uitstraling, modellen met sproeten verschenen in reportages en sommige vrouwen tekenden ze zelfs na. Tegen het einde van de twintigste eeuw waren sproeten, voor zowel vrouwen als mannen, hun slechte reputatie grotendeels kwijt en hoefden ze niet meer verborgen te worden.
Vandaag Inside: Johan Derksen waarschuwt Mona Keijzer: 'Dát is het gevaar!'