Quest was erbij: wat gebeurt er als een walvis aanspoelt?
In dit artikel:
Op het strand bij Renesse in Zeeland werd deze week een ruim vijftien meter lange potvis aangespoeld; onderzoekers van de Universiteit Utrecht voerden daar woensdagmorgen een sectie (necropsie) uit om de doodsoorzaak te achterhalen. Het mannetje, naar schatting meer dan dertig ton zwaar, werd maandag bij hoogwater voor het eerst op een zandbank gezien. Berging bleek moeilijk; het karkas dreef later weer weg en werd dinsdag door redders teruggetrokken en met tractors en een geul naar het droge strand gesleept.
De necropsie werd geleid door bioloog Lonneke IJsseldijk; Louis van den Boom stond aan het mes als hoofd van de snijploeg. De operatie vond plaats achter dranghekken, met een mobiel laboratorium, kranen, containers en beveiliging vanwege mogelijke diefstal van ivoor (potvistanden vallen onder CITES) of ambergris in de darmen. Bij het opensnijden kwamen meteen praktische en hygiënische problemen naar voren: de huid is extreem taai, er volgt een dikke blubberlaag, en doordat het dier al naar schatting 2,5 dag dood was, veroorzaakte de vrijgekomen warme lucht en gassen uit het lichaam rook- en sissende explosies toen de buikwand werd doorbroken. Darmen en andere ingewanden werden met kracht naar buiten gedrukt; grote stukken blubber (soms twintig tot dertig kilogram) moesten met een hijskraan worden verwijderd. De geur van sterk vergaan visvlees en oud bloed was duidelijk merkbaar voor toeschouwers.
Voor de onderzoekers was het een race tegen de klok: het tij kwam op en zonder ingrijpen zou het karkas weer deels in zee komen. Daarom bouwden ze dammetjes en hielden ze tractors paraat. Omdat veel organen al zwaar ontbonden waren (donker verkleurd in plaats van fris roze), is het onzeker hoeveel bruikbaar weefselmonsters nog verkregen kunnen worden om de precieze doodsoorzaak vast te stellen. De Universiteit Utrecht verzamelde stukjes van verschillende organen voor nader onderzoek in het lab; daarna wordt het restmateriaal door containers afgevoerd naar destructie. Naturalis had eerder belangstelling getoond voor skeletdelen, maar momenteel beschikken musea al ruim over potvisbotten.
Het ministerie van LNV schakelde de universiteit in voor de forensische klus en strandingscoördinator Jan Willem Zwart coördineerde de berging ter plaatse. Er stond ook nachtelijke bewaking op het strand omdat ivoor en ambergris lucratief zijn en verzamelaars kunnen aantrekken. IJsseldijk waarschuwde dat potvissen normaal gesproken niet in de ondiepe Noordzee thuishoren: ze foerageren op grote diepte en raken in ondiep water vaak gedesoriënteerd. In de afgelopen jaren onderzocht zij al een tiental gestrande potvissen; soms spoelen er meerdere tegelijk aan. De kustwacht had vlak voor- en na de stranding nog drie potvissen gemeld, maar die werden later niet meer waargenomen; waarnemen van een potvis bij de kust vergroot volgens Zwart de kans dat iemand later een gestrande soortgenoot vindt.
Of de onderzoekers de exacte oorzaak van de dood zullen kunnen vaststellen, blijft onzeker door de mate van ontbinding en de logistieke uitdagingen van een dergelijke strandingsoperatie. De zaak illustreert tegelijk de complexiteit van walvisstrandingen in ondiepe kustwateren: veel inspanning van instanties, gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor personeel, en maatschappelijke belangstelling vermengd met praktische problemen zoals stank, tij en de waarde van bepaalde walvisproducten.