Onethische experimenten: 4 wetenschappelijke studies die vandaag de dag niet meer door de beugel kunnen
In dit artikel:
In de loop van de twintigste eeuw werden meerdere wetenschappelijke projecten uitgevoerd die tegenwoordig onacceptabel worden geacht. Quest benadrukt dat wetenschap waardevol is, maar niet heilig verklaard kan worden: sommige onderzoeken schonden fundamentele ethische grenzen en leverden meer schade dan kennis op. Vier voorbeelden uit de praktijk:
1) Iowa “monsterstudy” (1939) — psycholoog Wendell Johnson testte de invloed van omgevingsfeedback op stotteren door 22 weeskinderen te gebruiken als proefpersonen. Sommige kinderen die vloeiend spraken kregen herhaaldelijk negatieve opmerkingen; anderen met stotterproblemen kregen juist positieve bevestiging. De methode leidde bij een aantal kinderen tot terugtrekgedrag, slechtere schoolprestaties en blijvende psychische schade. De controversiële resultaten werden destijds niet gepubliceerd; pas in 2001 kwam de zaak opnieuw boven water en volgde een schikking van in totaal 925.000 dollar met de staat Iowa.
2) Neubauer-tweelingonderzoek (jaren ’60–’80) — psychiater Peter Neubauer volgde eeneiige tweelingen (en een drieling) die na adoptie bewust gescheiden werden en van elkaar werden gehouden, zonder dat adoptieouders of kinderen volledig op de hoogte waren van het onderzoek. Het doel was inzicht in nature versus nurture, maar het experiment veroorzaakte psychische problemen bij betrokkenen en wordt in documentairemateriaal in verband gebracht met meerdere zelfdodingen. Neubauers data werden nooit gepubliceerd en liggen verzegeld in Yale tot 2065.
3) The Ape and the Child (jaren ’30) — Winthrop Kellogg voedde een jonge chimpansee, Gua, samen met zijn menselijke baby als onderdeel van een ontwikkelingsstudie. In het begin presteerde Gua op sommige taken beter dan het kind, maar taalontwikkeling liep uiteen en het experiment werd afgebroken; Gua ging naar een dierentuin en overleed binnen een jaar. De studie leverde inzichten op over biologische grenzen van gedrag en taal, maar staat symbool voor het gebrek aan toestemming en dier- en kinderwelzijn in oud onderzoek.
4) Syfilisstudies in Tuskegee (1932–1972) en Guatemala (jaren ’40) — in Tuskegee werden honderden voornamelijk zwarte landarbeiders jarenlang onbewerkt gelaten en misleid over de aard van hun ziekte om het natuurlijke beloop van syfilis te bestuderen; veel mannen stierven of raakten permanent beschadigd. In Guatemala lieten Amerikaanse onderzoekers in de jaren veertig mensen opzettelijk besmetten om behandelingen te testen; ook daar vielen doden. Beide projecten leidden later tot excuses van de Verenigde Staten en waren mede aanleiding voor strengere ethische regels: informed consent, onafhankelijke toetsing van studies en een verbod op opzettelijke besmetting.
Tot slot: veel van deze onderzoeken waren niet alleen moreel verwerpelijk maar ook wetenschappelijk zwak. De geschiedenis illustreert dat mensenrechten en degelijke methodologie onlosmakelijk bij goed onderzoek horen; schendingen daarvan brachten onherstelbaar leed en weinig betrouwbare kennis.