Moderne mens is van oorsprong geen duurloper, maar een sprinter
In dit artikel:
Een internationaal team onder leiding van Karl Bates (Liverpool), met medewerking van de Nederlandse bewegingswetenschapper Pasha van Bijlert (Universiteit Utrecht/Naturalis), gebruikte 3D‑simulaties om het loopvermogen van de mensaapachtige “Lucy” (Australopithecus afarensis) te reconstrueren en te vergelijken met dat van de moderne mens. Lucy leefde ongeveer 3 miljoen jaar geleden; haar fossielen werden in 1974 in Ethiopië gevonden en vormen een cruciale schakel tussen boomklimmende mensapen en rechtop lopende mensen.
Van Bijlert maakte op basis van scans van skeletten en spiervasthechtingen digitale modellen en vulde ontbrekende zachte weefsels in met gegevens van levende mensapen. Met fysische berekeningen en variaties in anatomische kenmerken — zoals achillespeeslengte, spiermassa en voetstructuur — testten de onderzoekers hoe snel en efficiënt Lucy kon lopen en rennen. Omdat er natuurlijk geen directe weefsels bewaard zijn, zijn sommige parameters beredeneerde aannames op basis van vergelijkende anatomie.
De belangrijkste uitkomst: waar de moderne mens met zijn lange benen, korte armen, sterke beenbotten en gebogen voeten rennersnelheden tot circa 7,9 m/s kan bereiken, lag Lucy’s potentie veel lager. Afhankelijk van ingevoerde eigenschappen varieerden de simulaties van een ondergrens van ongeveer 1,7 m/s (ongeveer 6 km/u, meer chimpanseegeschreven) tot een maximum rond 5 m/s wanneer moderne menselijke kenmerken werden toegewezen. In realistische scenario’s verwachten de onderzoekers een loopsnelheid ergens tussen die extremen, grofweg rond 8 km/u. Door die beperkte marges zou Lucy bij relatief lage snelheden al dicht bij haar maximale inspanning hebben gezeten, waardoor joggen of langdurig rennen minder plausibel wordt.
Die resultaten hebben evolutionaire implicaties: de moderne mens lijkt zich te hebben ontwikkeld tot een veel betere sprinter en later ook tot een efficiëntere langeafstandsloper — mogelijk door selectie op eigenschappen die handig waren voor persistence hunting (het uitputten van prooien door langdurig achtervolgen). De studie kan niet eenduidig vaststellen of energiezuinigheid of verbeterde prestaties de belangrijkste selectiegrond waren, en de onderzoekers benadrukken dat uithoudingsvermogen nog niet direct is gemodelleerd; daarvoor zijn langere-afstands‑simulaties nodig.
Naast homininen onderzocht Van Bijlert ook vogels met vergelijkbare simulatiemodellen. Uit studies met emoe‑modellen blijkt dat vogels vaak ‘grounded running’ gebruiken — een type lopen waarbij de voeten tijdens de stap niet volledig loskomen van de grond — wat ondanks hogere energiekosten stabiliteit biedt. Cruciaal bleek hun gehurkte houding (knieën “verborgen” onder het lichaam) en de evolutie van dikke vleugelspieren na het verlies van een lange staart; die combinatie maakt grounded running effectief en wijst mogelijk op analoge bewegingspatronen bij sommige dinosauriërs.
Kortom: de simulaties tonen dat vroege homininen wel rechtop konden lopen maar veel minder snel en minder flexibel waren dan moderne mensen, en benadrukken tegelijkertijd de waarde van 3D‑computermodellen om zowel fossiele beweging als bredere evolutionaire vragen te onderzoeken.