Met welke hemellichamen voorspelden mensen vroeger de toekomst?
In dit artikel:
Al sinds de oudheid probeerden mensen toekomstige gebeurtenissen af te leiden uit de stand van hemellichamen. De belangrijkste bron daarvoor was de Tetrabiblos van Claudius Ptolemaeus, het klassieke handboek dat eeuwenlang leidend was in de astrologie. Volgens Ptolemaeus zijn eclipsen — zons- en maansverduisteringen — de krachtigste voorspellende verschijnselen: ze kondigen ingrijpende gebeurtenissen aan en de duur van de verduistering zou de lengte van de nasleep aangeven.
Wél hangt de aard van het te verwachten onheil of geluk af van het sterrenbeeld waar de zon of maan tijdens de eclips staat en van de posities van de planeten op dat moment. In die traditie waren Jupiter en Venus vaak gunstig, terwijl Mars en Saturnus doorgaans onheil of ziekte voorspelden. Ook speelde iemands geboortehoroscoop mee: het hemelbeeld bij geboorte bepaalde in hoeverre iemand door een gebeurtenis getroffen zou worden. Astrologen hielden bij hun interpretaties bovendien rekening met factoren als vanuit welke landen een eclips zichtbaar was.
In de zeventiende eeuw bracht de telescoop de omslag: astronomen ontdekten dat sterren en planeten veel verder verwijderd zijn dan gedacht, wat het idee ondermijnde dat die lichamen direct invloed op de aarde uitoefenden. Zo splitsten astronomie en astrologie zich definitief.
Tegelijkertijd is er één praktisch snijpunt met de moderne wereld: tijdens een eclips staan zon, aarde en maan op één lijn, wat samenvalt met het springtij — hogere vloedstanden en dus een iets grotere kans op overstromingen (zoals bij de watersnoodramp van 1953). Omdat springtij echter ook bij volle of nieuwe maan optreedt, blijven de zon en de maan de enige hemellichamen met reële, waarneembare invloed op weer en waterstanden; de overige sterren en planeten zijn daarvoor te ver weg.