Mensen in de ijstijd jaagden vooral op vrouwtjesmammoeten
In dit artikel:
DNA-analyses van botten uit elf ijstijdvindplaatsen in Europa en Azië laten zien dat mensen toen opvallend vaak op vrouwtjesmammoeten afgingen. Onderzoekers onderzochten resten van ongeveer 20.000 tot 30.000 jaar oud en vonden daarin DNA van 100 mammoeten; daarnaast analyseerden ze 421 mammoeten uit natuurlijke vondsten. Daaruit bleek dat natuurlijke botvondsten vooral van mannetjes kwamen, wat past bij solitaire dieren die vaker in vallen terechtkwamen. Op archeologische vindplaatsen was het beeld juist omgekeerd: circa 70 procent van de gevonden mammoetresten kwam van vrouwtjes. Volgens de wetenschappers kan dat betekenen dat jager-verzamelaars gericht op vrouwtjes jaagden, maar ook dat ze vooral restanten verzamelden van vrouwelijke kuddes die voorspelbaarder door het landschap trokken. De studie, gepubliceerd in Current Biology, laat bovendien voor het eerst zien dat bij een uitgestorven diersoort een afwijking werd vastgesteld die bij mensen bekendstaat als het syndroom van Turner.
De Oranjezomer: Yves Berendse blikt terug op eerste ontmoeting met criticaster Valentijn Driessen