Leven er nog mysterieuze, onontdekte dieren in onze zeeën en oceanen?
In dit artikel:
De diepzee blijft grotendeels onontgonnen en trekt onderzoekers die je moderne ontdekkingsreizigers kunt noemen. Marienbioloog Fleur Visser (NIOZ) en inktvisexpert Henk‑Jan Hoving (GEOMAR) leggen uit waarom veel grote dieren nog onopgemerkt blijven en hoe wetenschappers ze zoeken. Tandwalvissen zoals potvissen duiken dagelijks naar grote dieptes en worden daarom soms uitgerust met sensoren — met zuignappen vastgezet — die duikdiepte en geluiden registreren. Omdat deze roofdieren echolocatie gebruiken, leveren hun opnames informatie over prooien en soms zelfs onbekende walvisgeluiden.
Grote inktvissen worden soms pas ontdekt in de maag of bek van potvissen; sommige soorten kunnen meer dan tien meter lang worden en vormen de bron voor krakenmythes. Hoving wijst erop dat veel diepzeedieren netten en visgerei vroegtijdig voelen en ontwijken, terwijl fragiele, geleiachtige dieren bij een vangpoging uiteenvallen — beide factoren bemoeilijken het vinden van nieuwe soorten.
Om dat te omzeilen combineren onderzoekers meerdere technieken: environmental DNA (eDNA) uit zeewatermonsters, onderwatercamera’s met licht als lokaas en echosounders die teruggekaatste geluidsgolven registreren. eDNA kan wijzen op onbekende levensvormen, maar volledige soortbeschrijvingen vereisen doorgaans fysieke observatie of exemplaren. Omdat veel diepzeebewoners langzaam groeien en weinig natuurlijke vijanden hebben, kunnen ze groot worden — en er valt dus nog veel te ontdekken. Dit artikel is gebaseerd op vraag 57 uit Quest 101.