Kans op inteelt groter dan je denkt door sjoemelende gynaecologen
In dit artikel:
Daten met een familielid wordt normaal gesproken zelden per ongeluk gedaan, maar onbekende zaaddonoren vergroten die kans aanzienlijk, waarschuwt Ronald Meester, hoogleraar waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In Nederland geldt formeel een limiet van maximaal 25 verwekte kinderen per donor om inteelt te beperken, maar die regel is niet altijd nageleefd. De afgelopen jaren kwamen meerdere gevallen aan het licht waarin gynaecologen eigen sperma gebruikten bij vruchtbaarheidsbehandelingen, soms zonder medeweten van de wensouders.
Bekende voorbeelden in Nederland zijn onder meer Jan Karbaat (meer dan honderd nakomelingen tussen 1965 en 1980), Jan Wildschut (minstens 34 kinderen tussen 1981–1993), Jos Beek (minstens 21), Henk Nagel (aan één kind gelinkt; hij claimde mogelijk tot vier gevallen) en een anonieme arts uit Arnhem (minstens 16 kinderen). Zulke massadonoren creëren feitelijk één grote familie, waardoor de kans dat twee biologisch verwante personen elkaar ontmoeten en een relatie krijgen toeneemt.
Meester liet voor Quest kansberekeningen los op eenvoudige scenario’s om de orde van grootte te laten zien. Onder aannames zoals gelijke kans om elkaar te ontmoeten en willekeurig daten, komt hij tot illustratieve uitkomsten: in een stad van 100.000 mensen met een groep van 100 nakomelingen van één donor is de kans dat twee personen uit die groep met elkaar daten ongeveer 10 procent. Die kans stijgt naarmate een donor meer kinderen heeft of als die nakomelingen geografisch geconcentreerd zijn. Dat betekent volgens Meester dat het niet ondenkbaar is dat ‘familieliefdes’ als gevolg van massadonoren al in Nederland hebben plaatsgevonden.
Sinds 2004 is anoniem doneren in Nederland verboden, waardoor donorkinderen makkelijker hun herkomst kunnen achterhalen. Toch komt een lotgenoot vaak niet in elkaars stamboom voor (verschillende achternamen), waardoor DNA-onderzoek in veel gevallen de meest betrouwbare manier is om verwantschap te bevestigen. Meester benadrukt dat niet iedereen zulke informatie wil; testen zijn vooral nuttig als er een concrete reden tot bezorgdheid is, bijvoorbeeld wanneer bekend is dat de moeder destijds door een inmiddels in opspraak geraakte gynaecoloog werd behandeld.
De medische reden om verwantschap rond voortplanting te vermijden is duidelijk: naaste verwanten delen veel DNA, waardoor het risico op ernstige erfelijke afwijkingen bij kinderen toeneemt. Relaties tussen neef en nicht verhogen dat risico met ongeveer 2 procent; bij halfbroer en -zus stijgt het met ongeveer 10 procent. Tegelijkertijd neemt de genetische verwantschap per generatie af, terwijl het aantal afstammelingen van een massadonor juist groeit — een dynamiek die de kans op onbedoelde verwantschap groter maakt.
Kortom: overtreden donorlimieten en gebruik van eigen zaad door artsen vergroten op macroschaal de kans dat biologisch verwante mensen elkaar romantisch treffen. Praktisch advies is om bij twijfel DNA-onderzoek te overwegen; beleidsmatig blijft handhaving van donorregels en transparantie cruciaal om dergelijke risico’s te beperken.