Hoogleraar cognitieve diversiteit Léon de Bruin: 'Officieel heb je een diagnose nodig van een psychiater om jezelf neurodivers te noemen'
In dit artikel:
De term neurodiversiteit is de laatste jaren, vooral via sociale media, sterk in opkomst. In filmpjes waarin mensen hun dagelijkse leven laten zien geven makers vaak opsommingen van kenmerken van bijvoorbeeld autisme, ADHD of dyslexie. Die clips brengen veel kijkers ertoe zichzelf in vraag te stellen en te denken dat ze wellicht ook 'neurodivergent' zijn.
Schattingen wijzen uit dat ongeveer 15–20% van de wereldbevolking op enige manier afwijkt van wat als het gemiddelde functioneren van het brein wordt gezien; dat omvat diagnoses als autisme, ADHD en dyslexie. Als ook minder formele kenmerken zoals hoogsensitiviteit of hoogbegaafdheid worden meegerekend, stijgt dat percentage aanzienlijk. Omdat sociale media zulke voorbeelden en herkenningspunten veelvoudig verspreiden, lijkt neurodiversiteit online nog veel vaker voor te komen dan in officiële cijfers.
Formeel vereist het vaststellen van een neurodivergente stoornis een diagnose door een psychiater. Een professioneel diagnostisch onderzoek onderzoekt het complete gedragspatroon en kijkt of er voldoende kenmerken aanwezig zijn om van een stoornis te spreken. Dat gaat veel verder dan herkennen van losse trekjes — bijvoorbeeld vergeetachtigheid of afleiding — die normaal voorkomen bij iedereen. Er bestaat bovendien een spanning: een psychiatrische diagnose legt vaak vast dat er sprake is van een stoornis, terwijl veel mensen die zichzelf neurodivergent noemen juist benadrukken dat zij 'anders' zijn, niet ziek.
Zelfdiagnose wint terrein en dat is niet per se negatief, zegt Léon de Bruin, hoogleraar cognitieve diversiteit. Mensen kennen hun eigen leven vaak beter dan een behandelaar die hen maar kort ziet. Maar zelf-diagnoses hebben valkuilen: blinde vlekken, het missen van het totaalbeeld en het ontbreken van klinische expertise kunnen leiden tot misclassificatie. Een officiële diagnose brengt praktische voordelen: studenten met een erkende stoornis kunnen bijvoorbeeld meer examentijd of andere aanpassingen krijgen — voordelen die alleen via professionele vaststelling toegankelijk worden.
Een andere drijvende kracht achter zelfidentificatie is de behoefte aan identiteit en verklaring. Voor veel mensen helpt een label te begrijpen waarom bepaalde dingen in hun leven niet goed verliepen en kan het herstel en erkenning bieden. Tegelijk waarschuwt De Bruin dat het gevaar bestaat dat mensen hun hele zelfbeeld aan één psychiatrisch label koppelen. Vooral jongeren zoeken naar (digitale) labels om zichzelf mee te definiëren, maar het is volgens hem belangrijk dat zij naast zo’n label ook rijkere en diverse verhalen over zichzelf leren kennen.
Kortom: online herkenning kan helpen bij zelfinzicht en bij het vinden van steun, en een officiële diagnose opent concrete deuren. Maar professionele beoordeling blijft cruciaal om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een stoornis en om te voorkomen dat mensen zich te beperkt identificeren op basis van één label.