Hoe zijn we met z'n allen zo gek geworden dat we kauwgom gingen kauwen?
In dit artikel:
Mensen kauwen al duizenden jaren op materialen die ze niet opeten. In Indonesië zijn sporen gevonden van het kauwen op betelnoten, terwijl Scandinaviërs op berkenpek kauwden. Dat pek werd waarschijnlijk vooral zacht gemaakt om als lijm te gebruiken, maar tandafdrukken van kinderen wijzen erop dat het soms ook als primitieve kauwgom diende. In Afrika werd op bast gekauwd en in Amerika op yuccabladeren, soms vermengd met tabak.
De directe voorloper van moderne kauwgom ontstond in Midden-Amerika. De Azteken kauwden op chicle, een elastisch boomsap. Dat gebruik gold daar als ongepast voor mannen; vrouwen en kinderen mochten in het openbaar wel kauwen. Europeanen namen de gewoonte aanvankelijk niet over. In Nederland was pruimtabak lange tijd populairder, omdat het praktischer en veiliger was dan roken, bijvoorbeeld op schepen en in mijnen.
De doorbraak kwam halverwege de negentiende eeuw in de Verenigde Staten, dankzij een toevallige ontmoeting tussen de verbannen Mexicaanse dictator Antonio López de Santa Anna en de Amerikaan Thomas Adams. Santa Anna bracht een grote hoeveelheid chicle mee naar New York en hoopte ermee een alternatief voor rubber te ontwikkelen. Adams probeerde maandenlang het sap tot bruikbaar rubber te verwerken, maar zonder succes.
Toen hij in een snoepwinkel kauwgom van paraffine zag, kreeg hij een ander idee. Hij kookte de chicle, vormde er balletjes van en liet die in 1869 verkopen. Ondanks de grijze kleur en het gebrek aan smaak bleken ze populair. Adams richtte later de American Chicle Company op en introduceerde in 1888 kauwgomautomaten in de metro van New York.
Ongeveer dertig jaar later maakte zeephandelaar William Wrigley Jr. van kauwgom een massaproduct. Hij gaf kauwgom cadeau bij zeep, maar stapte volledig over toen bleek dat het extraatje beter verkocht dan de zeep zelf. Met grootschalige reclame, waaronder billboards en gratis pakjes voor mensen uit het telefoonboek, bouwde hij een enorm merk op.
De internationale doorbraak volgde via het Amerikaanse leger. Wrigley zorgde ervoor dat soldaten kauwgom in hun rantsoen kregen, omdat het volgens hem hielp tegen honger, dorst en zenuwen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog deelden Amerikaanse militairen de kauwgom bovendien uit aan kinderen, wat hielp om contact te leggen met lokale gemeenschappen. Zo raakte ook Europa ermee vertrouwd.
Voor de Tweede Wereldoorlog vonden Nederlanders kauwgom nog een vreemde, ordinaire Amerikaanse gewoonte. Na de bevrijding veranderde dat snel. De ontwikkeling van suikervrije kauwgom door het Finse merk Jenkki in 1975 maakte het product bovendien aantrekkelijker voor tandartsen. Moderne kauwgom bestaat tegenwoordig meestal uit synthetische rubberachtige polymeren op basis van aardolie, met zoetstoffen en smaakstoffen, maar de wereldwijde populariteit begon bij het natuurlijke boomsap van de Azteken.
Vandaag Inside: Tina Nijkamp: 'Ik erger me eraan dat Angela de Jong dit blijft volhouden'