Hoe ze in de prehistorie omgingen met hun doden

vrijdag, 10 april 2026 (08:11) - Quest.nl

In dit artikel:

Archeoloog Gwen Verhoeven onderzocht waarom menselijke resten — losse botten, tanden en soms hele skeletten — geregeld in en bij prehistorische huizen in Nederland opduiken. Voor haar masterscriptie inventariseerde ze rapporten van 83 opgravingen (samen goed voor 42 skeletten en 469 losse skeletdelen) en ontdekte duidelijke patronen die eerdere aannames van toevallige verstoring ondergraven. Haar werk werd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beloond met een scriptieprijs.

Wat en wanneer: Verhoeven keek naar een lange periode, van de late steentijd (circa 5300–2000 v.Chr.) tot aan het begin van onze jaartelling (late ijzertijd). In die tijd verschoven begrafenispraktijken: van grafheuvels met grafgiften in de steentijd naar crematies in de bronstijd en urnenvelden, en in de latere ijzertijd steeds soberder graven en begravingen dichter bij of zelfs in huizen.

Waar: De vondsten komen uit verschillende Nederlandse vindplaatsen, onder meer Ezinge, Geldermalsen, Houten en de hunebedgebieden in Drenthe. Tijdens de coronaperiode leidde publieksarcheologie tot nieuwe ontdekkingen van honderden grafheuvels op de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug, wat aantoont dat er vroeger meer mensen woonden dan gedacht.

Waarom niet toevallig: losse beenderen liggen vaak op strategische plekken — bij deuropeningen, in paalgaten, langs de randen van nederzettingen of in kringgreppels rond grafheuvels. Zulke locaties wijzen erop dat botten grenzen markeerden: tussen huis en erf, tussen nederzetting en landschap, en tussen levenden en doden. Veel resten lagen zichtbaar in de cultuurlaag (plek waar mensen leefden), zonder dat er aanwijzingen zijn dat er kuilen gegraven en dichtgegooid werden. Verweerde oppervlakken laten zien dat sommige botten langere tijd bovengronds lagen, maar het ontbreken van snijsporen en het vrijwel ontbreken van knaagsporen suggereert dat lichamen gecontroleerd werden geplaatst — mogelijk op houten of stenen stellages — totdat het vlees verdwenen was en de botten veilig konden worden opgenomen in het dagelijks leven.

Ritueel en gebruik: Sommige skeletdelen ontbreken bewust: vooral lange botten uit ledematen werden apart bewaard, mogelijk als aandenken of familiestuk. Er zijn voorbeelden dat zulke botten eeuwen later nog mee verhuisden. In de late ijzertijd verschijnen bewerkte menselijke resten — gepolijste schedelkapjes die als schaaltje lijken te dienen, gaten in schedels om op te hangen, afgezaagde en gepunte dijbenen, en zelfs schedels op staken — wat wijst op meer expliciet ritueel of symbolisch hergebruik (of soms gewelddadiger praktijken).

Waterputten en kanalen bevatten soms menselijke resten, maar dat lijkt vaker te gebeuren als een nederzetting verlaten wordt: resten als ‘verlatingsoffer’ waarmee mensen hun aanwezigheid markeerden. Kortom, de doden bleven deel uitmaken van het gemeenschapsleven; ze kregen een nieuwe rol en herinneringen werden zintuiglijk en materieel bewaard. Verhoeven benadrukt dat mensen vroeger een andere, minder afstandelijke relatie met het dode lichaam hadden: het einde van het leven betekende niet per se het einde van iemands rol binnen de woonplek of familie.