Hoe vaak is meestal? Dat ligt aan wie je het vraagt
In dit artikel:
In 2018 liet statistica Sanne Willems (destijds Universiteit Leiden, nu Amsterdam UMC) samen met collega’s 881 mensen online aangeven welk percentage zij toekennen aan kanswoorden zoals “mogelijk”, “soms”, “zeker” of “onwaarschijnlijk”. Het doel was de vage kanstaal in cijfers te vatten; de verzamelde percentages zijn in een grafiek gezet om te laten zien hoe verschillend mensen die woorden interpreteren.
Sommige termen hebben veel overeenstemming: “altijd” ligt vrijwel rond 100% en “nooit” bij 0%. Veel andere woorden vertonen echter grote spreiding. “Soms” kan voor de ene respondent 10% betekenen en voor een ander ruim boven 50%. Ook “mogelijk” wordt door sommigen als vrijwel alles boven 0% gezien, terwijl “onmogelijk” meestal 0% krijgt. Opposities blijken niet altijd echte tegenpolen: bij elkaar opgeteld leveren woorden als “zeker” en “onzeker” soms meer dan 100% op omdat “onzeker” door velen rond de 50% wordt ingeschat.
Een verrassing was dat ook statistici niet preciezer of consistenter waren dan het algemene publiek; zij gebruiken kanswoorden in informeel taalgebruik en rekenen eerder in cijfers bij wetenschappelijk werk. Daarnaast beïnvloedt prosodie de interpretatie: een aarzelend “eh, meestal” of een vragende intonatie doet mensen de geschatte kans lager inschatten (bevinding uit een vervolgstudie met Tilburg University).
De studie illustreert waarom kanstaal in alledaagse en vooral in medische of risicocommunicatie tot misverstanden kan leiden. In risicovolle situaties is het daarom vaak beter concrete percentages of scenario’s te geven in plaats van alleen vage kanswoorden.