Het grote generatiegevecht: hebben jonge mensen het echt slechter dan oudere mensen

zondag, 27 september 2026 (12:25) - Quest.nl

In dit artikel:

Gen Z, in dit artikel gedefinieerd als mensen geboren tussen 2000 en 2015, heeft financieel niet zonder meer een slechtere uitgangspositie dan oudere generaties. Volgens Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het CBS, is Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog economisch gegroeid. Daardoor nam de koopkracht van opeenvolgende generaties toe. Een 24-jarige kan nu gemiddeld ruim 30.000 euro per jaar besteden, tegenover ongeveer 27.300 euro voor millennials op dezelfde leeftijd en 24.000 tot 26.000 euro voor oudere generaties. De bedragen zijn gecorrigeerd voor prijsstijgingen en geven dus koopkracht weer, niet simpelweg het aantal euro’s.

Dat gemiddelde verbergt wel grote verschillen. Minder dan 4 procent van de bevolking leeft volgens het CBS onder de armoedegrens, maar sommige mensen hebben het financieel nog altijd moeilijk. Ook vrouwen zagen hun koopkracht relatief sterk stijgen doordat zij veel vaker betaald werk doen dan vroeger. Omdat vrouwen gemiddeld vaker parttime werken, ligt hun inkomen echter nog steeds onder dat van mannen.

De relatief hoge koopkracht van Gen Z valt minder op doordat oudere generaties gedurende hun leven veel vermogen hebben opgebouwd. Zij konden vaak een huis kopen en beschikken soms over extra bezit, zoals een tweede woning, auto of boot. Toen deze generaties jong waren, was het verschil tussen hun welvaart en die van hun ouders bovendien kleiner. Gen Z begint dus met een redelijk inkomen, maar moet zich staande houden tussen oudere mensen die inmiddels veel rijker zijn geworden. Of de welvaart van jongeren verder blijft stijgen, hangt af van de economische groei, die momenteel minder sterk is.

Vooral de woningmarkt vormt een duidelijk nadeel voor Gen Z. Van de huidige 24-jarigen heeft slechts één op de vijf een koophuis. Bij millennials en babyboomers lag dat op die leeftijd boven de 26 procent en bij de pragmatische generatie rond de 30 procent. Sterk gestegen huizenprijzen maken kopen moeilijk, terwijl jongvolwassenen meestal nog weinig tijd hebben gehad om eigen vermogen op te bouwen. Ongeveer 30 procent van hun inkomen gaat gemiddeld op aan huur of hypotheek, soms zo’n tien procentpunt meer dan bij oudere generaties toen zij jong waren.

Sommige jongeren worden geholpen door ouders die een deel van hun opgebouwde vermogen schenken of lenen. Daardoor ontstaat extra ongelijkheid tussen Gen Z’ers met vermogende ouders en leeftijdsgenoten die die steun niet krijgen. Hoewel Gen Z qua inkomen dus beter af is dan eerdere generaties op dezelfde leeftijd, bezit de groep zelf nog weinig vermogen en loopt zij achter op het gebied van woningbezit.

Daarbij ligt het welvaartsniveau en het uitgavenpatroon tegenwoordig hoger. Jongeren zijn gewend aan zaken als smartphones, laptops, e-bikes, merkkleding en regelmatig nieuwe elektronica. Bezuinigen op zulke uitgaven zou niet vanzelf betekenen dat een huis binnen bereik komt. De conclusie is daarom dubbel: Gen Z heeft historisch gezien veel koopkracht, maar ervaart door hoge woonlasten, beperkte vermogensopbouw en ongelijke ouderlijke steun wel degelijk een moeilijkere toegang tot de woningmarkt.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Tijjani Reijnders baalt van enorme misser: 'Iets te veel power...'