Foto's van vroeger: dit waren de 'deelscooters' van de jaren 70
In dit artikel:
In 1968 introduceerde activist en voormalig provo Luud Schimmelpenninck in Amsterdam de witkar: een klein elektrisch deelautootje bedoeld om stadsvervoer te verduurzamen en de binnenstad van auto’s en parkeerdruk te ontlasten. De tweepersoonskarretjes — aanvankelijk bedoeld voor korte ritjes binnen het centrum — waren de opvolger van Schimmelpennincks eerdere wittefietsen-idee uit 1965. De witkar werd gepresenteerd als een praktische, goedkope oplossing, maar liep binnen enkele jaren vast door een reeks praktische en organisatorische knelpunten.
Technisch had de witkar in 1968 grote beperkingen. De actieradius bedroeg slechts ongeveer 15 kilometer, waardoor gebruikers zonder waarschuwing met lege accu konden stranden. Om dat op te lossen kwamen er laadstations waar wagens moesten worden opgehaald en teruggebracht — het plan voorzag in 25 plekken, maar uiteindelijk functioneerden er slechts vijf. Dat maakte het systeem onpraktisch: gebruikers moesten eerst naar een laadstation reizen en daar weer terugkomen, wat het voordeel van “overal neerzetten” ondermijnde.
Ook het ontwerp en de toegangsdrempels werkten tegen. De karretjes waren krap en hoekig van vorm, waardoor ze niet als aantrekkelijk of “hip” werden ervaren; media noemden ze spottend een rijdende telefooncel. Bovendien was deelname beperkt tot leden van een coöperatie: je moest lid worden en beschikken over een magneetsleutel om te kunnen rijden. Tot slot was een rijbewijs verplicht, waardoor jongeren en niet-rijdende stadbewoners uitgesloten waren. De combinatie van beperkte reikwijdte, weinig oplaadpunten, onaantrekkelijk uiterlijk en strikte gebruiksvoorwaarden zorgde dat slechts een paar duizend Amsterdammers lid werden — onvoldoende om het project levensvatbaar te houden.
Na jaren van aanmodderen werd de witkar in de jaren tachtig opgeheven; het laatste exemplaar verdween van straat in 1988. Enkele wagentjes zijn bewaard in musea zoals NEMO en het Amsterdam Museum. Ondanks het mislukken ziet men de witkar in retrospectief als een vroeg prototype van gedeelde elektrische mobiliteit: het idee van deelvoertuigen in de stad was er al, maar de techniek en organisatie waren nog niet rijp. Waar moderne deelmobiliteit wél slaagt, spelen langere actieradius, gedistribueerde oplaadinfrastructuur, gebruiksvriendelijke digitale toegang (apps in plaats van coöperatielidmaatschappen) en flexibele parkeerregels een doorslaggevende rol.
De witkar leverde geen direct succes op, maar legde wel een voorlopige basis en bood lessen die later zijn gebruikt bij deelscooters en deelauto’s die nu in Amsterdam en andere Nederlandse steden rondrijden. Bedenker Schimmelpenninck hield vol dat de noodzaak van zo’n systeem alleen maar is toegenomen; met de technologische en organisatorische verbeteringen van vandaag lijkt zijn uitgangsgedachte uiteindelijk wel te zijn ingehaald door de tijd.