Eindigen we echt met onze ouders?
In dit artikel:
Psycholoog en aantrekkingsexpert Iliana Samara (Universiteit Leiden) legt uit waarom het stereotype dat mensen uiteindelijk een partner kiezen die op hun ouders lijkt zo hardnekkig is — en waarom het grotendeels bij een stereotype blijft. Het beeld vindt deels zijn oorsprong in de klassieke psychoanalyse van eind negentiende eeuw: Freuds oedipuscomplex en Jungs electracomplex schilderden relaties met ouders als bepalend voor latere voorkeuren. Die ideeën hebben lang invloed gehad op therapie, populaire cultuur en lezersvoorstellingen van liefde.
Een meer hedendaagse verklaring zoekt Samara in hechting en imprinting: kinderen raken vroeg vertrouwd met de omgangsvormen en persoonlijkheidstrekken van hun ouders, en kunnen die gewoonten later herkennen of waarderen in een partner. Maar empirisch bewijs dat mensen daadwerkelijk hun ouders’ persoonlijkheidstype prefereren is mager en inconsistent. Sommige studies tonen kleine verbanden — bijvoorbeeld dat mannen partners kiezen met vergelijkbare mate van zorgvuldigheid als hun moeder, of dat vrouwen neigen naar mannen met vergelijkbare openheid als hun vader — maar deze effecten zijn beperkt.
Op uiterlijk terrein zijn er duidelijkere, zij het beperkte, patronen: kenmerken als oog- en haarkleur vertonen vaker overeenkomsten tussen iemands ouders en diens uiteindelijke partner. Toch zijn zulke uiterlijke overeenkomsten zelden de belangrijkste factor bij het kiezen van een geliefde.
Samara benadrukt ook het verschil tussen wat mensen zeggen te willen en wat ze daadwerkelijk kiezen. Experimenteel werk (onder meer een speeddate-studie van Northwestern University, 2008) laat zien dat vooraf geformuleerde voorkeuren vaak verdwijnen zodra iemand echte interactie heeft met een potentiële partner. Aantrekking blijkt geen checklist maar een complex samenspel van eigenschappen en situaties.
Kortom: culturele verhalen en vroege hechting kunnen herkenning scheppen, maar wetenschappelijk bewijs dat we structureel op onze ouders vallen is beperkt — aantrekkingskracht blijkt praktischer en minder voorspelbaar dan het stereotype suggereert.