Egyptische prinsessen konden wel degelijk overweg met de wapens in hun graf
In dit artikel:
Nieuw onderzoek naar skeletten uit de Egyptische necropool van Dahshur laat zien dat vrouwelijke leden van de koninklijke familie waarschijnlijk niet alleen symbolisch met wapens werden begraven. Archeologen onderzochten de resten van vier prinsessen en een koning uit het late Middenrijk, die in 1894 en 1895 waren opgegraven bij de piramides van Amenemhat II en Amenemhat III en pas in 2020 opnieuw werden bestudeerd in het Egyptisch Museum in Caïro.
Door te kijken naar spieraanhechtingen op de botten concludeerden de onderzoekers dat sommige prinsessen hun lichaam herhaaldelijk gebruikten op een manier die past bij boogschieten of wapengebruik. Prinses Noeb-Hotep lijkt bijvoorbeeld een boog regelmatig te hebben gespannen, terwijl de bouw van prinses Ita beter past bij het hanteren van een dolk of strijdknots; in beide grafkamers lagen ook zulke voorwerpen. De fysieke sporen op de botten suggereren dus dat de grafgiften niet louter decoratief waren.
De resten laten ook zien dat deze elitefamilie een zwaar leven kende. Meerdere personen hadden genezen botbreuken, wat wijst op medische verzorging die breuken kon zetten en spalken. Tegelijk zijn er aanwijzingen voor jeugdige ondervoeding of infecties bij koning Hor en botontkalking bij prinses Khenmet. Opvallend was verder dat alle onderzochte individuen aangeboren afwijkingen aan de wervelkolom hadden, wat duidt op nauwe familiebanden en mogelijk huwelijken binnen de eigen dynastie. Analyse van de hars op de botten wijst ten slotte op een gestandaardiseerd balsemingsrecept met wierook en jeneverhars, grondstoffen die waarschijnlijk via lange handelsroutes werden aangevoerd.
De Oranjezomer: Hugo Borst wil iets rechtzetten tegenover Thomas van Groningen: 'Ik heb grapjes gemaakt over jou...'