De zin en onzin van DNA-testen
In dit artikel:
Ik koop een commerciële DNA-test, spuug in een buisje en stuur het op; na ongeveer vier tot zes weken komen er resultaten terug. Marc van Mil, docent biomedische genetica aan de Universiteit Utrecht, legt uit dat bedrijven meestal SNP-microarrays gebruiken: het DNA uit je speeksel wordt in stukjes geknipt en op een chip gedruppeld, waarna op vooraf gekozen hotspots wordt gekeken naar bekende varianten.
De uitkomst levert allerlei feitjes en waarschijnlijkheden: bloedgroep, aanleg voor kale worden of cafeïnegevoeligheid, oogkleur, een neiging tot voorkeur voor rode wijn en een inschatting van cognitieve trekjes. Ook kun je een genealogische dienst inschakelen die matcht met mogelijke verwanten — in praktijk vaak verre familie, maar soms kunnen dichtbijzijnde onbekende familieleden opduiken. Voor de dieperliggende afkomst tonen tests haplogroepen en migratiepatronen: door vergelijkingen met referentiedatabases kunnen sporen van voorouders uit Scandinavië, de Balkan of Zuid-Europa naar voren komen, en zelfs verre verbindingen terug tot tienduizenden jaren geleden worden gereconstrueerd.
Er zitten echter belangrijke beperkingen en risico’s aan zulke commerciële testen. Ten eerste is de informatiediepte beperkt: een microarray geeft een overzicht van bekende varianten, maar een volledige genoomsequencing zou meer, en vaak relevantere, informatie opleveren. Ten tweede kunnen risicobevindingen verkeerd geïnterpreteerd leiden tot angst: een genetische aanleg betekent niet dat je die ziekte zeker krijgt — levensstijl en omgeving spelen vaak een grote rol. Van Mil waarschuwt daarom dat klinische begeleiding wenselijk is bij potentieel ingrijpende uitslagen; ziekenhuizen bieden betere counseling dan commerciële partijen doorgaans doen.
De kwaliteit van afkomst- en eigenschapsuitslagen hangt sterk af van de database achter het bedrijf. Elke aanbieder bouwt zijn eigen dataset op en die varieert in samenstelling en representativiteit, wat foutmarges en regionale vertekeningen kan veroorzaken. Ook is er een commercieel belang: bedrijven willen verdienen, en dat roept vragen op over wie de echte klant is — jij of degene die je data koopt. Privacy is een ander knelpunt: in de VS gelden andere regels dan in Europa, en in sommige gevallen worden DNA-gegevens gebruikt in politieonderzoek of gedeeld met derden, met mogelijke gevolgen voor verzekeringen of gepersonaliseerde advertenties.
Praktisch advies uit het artikel: voor leuke feiten en een ruwe blik op je afkomst kan een commerciële test informatief en amusant zijn, maar voor medische of gevoelige uitkomsten is beter een test via een medisch traject. Het grotere plaatje dat Van Mil noemt is relativerend: genetisch zijn mensen elkaar veel gelijk — we delen verre voorouders en grote stukken DNA met dieren en planten — wat het idee van unieke, onveranderlijke identiteit nuanceert.