De uitvinding van bakeliet: hoe één Belg de wereld veranderde
In dit artikel:
In Gent herinnert een sobere straatnaam aan Leo Baekeland, de uitvinder van bakeliet, maar zijn erfenis is wereldwijd en ingrijpend. Baekeland (geboren 1863 in Gent) groeide op in een eenvoudig gezin, promoveerde tot scheikundige en emigreerde eind 1880‑s naar de Verenigde Staten. Daar ontwikkelde hij eerst verbeterd fotopapier en verkocht dat succes in 1893 aan Eastman Kodak. Met de opbrengst richtte hij een eigen laboratorium op en onderzocht hij, samen met collega Nathaniel Thurlow, reacties tussen fenol en formaldehyde. Bij de juiste mengverhoudingen, druk en temperatuur ontstond in 1907 een geheel nieuw, synthetisch materiaal: bakeliet — vernoemd naar Baekeland en het Griekse woord voor ‘steen’.
In 1909 liet Baekeland zijn patent vastleggen, zowel voor de samenstelling als voor de productiemethode: kunststofkorrels worden onder hitte en druk in metalen mallen geperst. Het resultaat was een harde, vocht‑ en hittebestendige, niet‑geleidend materiaal dat goedkoop te massaproduceren was. Daardoor vond bakeliet snel toepassingen in elektrische schakelaars en behuizingen — belangrijk in een tijd dat elektriciteit opkwam — maar ook in alledaagse gebruiksvoorwerpen zoals knopen, koffiemolens, telefoons en huishoudelijke apparaten. Omdat producten uit mallen makkelijk afgeronde vormen krijgen, beïnvloedde bakeliet ook het ontwerp van gebruiksvoorwerpen: ronder en gestroomlijnder dan eerdere, hoekige materialen.
Het Industriemuseum in Gent behandelt deze geschiedenis in de tentoonstelling Plastic fantastic?, waar onderzoeker Marie Kympers reconstrueert hoe Baekeland zowel wetenschappelijk als ondernemend te werk ging. Het museum toont voorbeelden van bakeliet‑objecten en legt uit hoe de produktietechniek en zelfs bewaarde mallen inzicht geven in de industrie en ambacht achter vroegere kunststofproductie.
Bakeliet was de eerste echte synthetische kunststof, maar het bleef niet bij één soort. Chemici als Hermann Staudinger legden in de jaren twintig het begrip polymerisatie vast, waarna nieuwe soorten plastics ontstonden met uiteenlopende eigenschappen: thermoharders (zoals bakeliet) die niet smelten bij verwarming, en thermoplasten (zoals PVC, PE en PET) die wel smelten en daardoor makkelijker te recyclen zijn. In de decennia na Baekeland volgden belangrijke doorbraken: polystyreen, nylon, polyethyleen en PET, elk met specifieke toepassingen — van isolatie en kleding tot verpakkingen en flessen.
De impact van Baekelands vondst is dus dubbel: kunststof maakte massaproductie van goedkope, functionele en vormgevende objecten mogelijk en veranderde consumentengedrag en design. Tegelijkertijd leidde het wereldwijde en grootschalige gebruik van plastics tot nieuwe problemen: hardnekkig afval, microplastics in milieu en voedselketen, en uitdagingen in afvalverwerking. De hedendaagse plasticeconomie zoekt naar oplossingen — betere recycling, bioplastics en initiatieven zoals The Ocean Cleanup — maar de hoeveelheid gebruikte wegwerpproducten illustreert hoe groot de omslag moet zijn.
Kortom: Leo Baekeland bracht met bakeliet de eerste door mensen gemaakte kunststof voort die de moderne wereld mee vormgaf — technisch nuttig en productievriendelijk — maar die uiteindelijk ook de vraagstukken rond milieu en duurzaamheid heeft doen ontstaan waar we nu mee worstelen.