De laatste walvisvaarder: Nederland stopte pas in de jaren 60 met deze praktijk
In dit artikel:
Nederlandse walvisvangst bleef veel langer bestaan dan veel mensen denken: al in de zeventiende eeuw begonnen Nederlanders bij Spitsbergen op walvissen te jagen voor traan en baleinen, en na een onderbreking in de negentiende eeuw werd de praktijk na de Tweede Wereldoorlog opnieuw opgepakt. De directe aanleiding voor de herstart in 1946 was praktisch: een nationaal tekort aan vetten en margarine. De Nederlandse Maatschappij voor de Walvisvaart kocht een Zweeds tankerschip, bouwde het om tot fabrieksschip en doopte het Willem Barendsz; de komst van met name de grotere Willem Barendsz II werd in Schiedam door duizenden juichende toeschouwers begroet als een nationaal succes.
De moderne schepen en werkwijzen verschilden sterk van de romantische plaatjes met roeibootjes. Expedities naar de Zuidpool bestonden uit een vloot van fabrieksschip, jachtschepen en hulpschepen. Spotters in kraaiennesten hielden het water in de gaten; zodra ze een spuit – een fontein – zagen, werd er via radio contact gelegd en schoten jagersboten met harpoenkanonnen. Bij een treffer zorgde een explosieve lading met weerhaken ervoor dat de walvis bleef hangen; een nylontouw bracht het dier vervolgens naar het schip. Hulpschepen sleepten de gevangen walvissen naar het fabrieksschip, waar ze via een slipway over het dek werden getrokken.
Op het dek werden dieren razendsnel verwerkt: eerst werd het spek (blubber) afgesneden en in traanpotten geplaatst, waar het onder hoge temperatuur tot walvistraan werd omgezet; het karkas werd ontleed, delen werden tot blikvoer verwerkt en organen overboord gegooid. Een hele walvis kon in ongeveer drie kwartier worden verwerkt en het fabrieksschip draaide dag én nacht tijdens een verblijf in visgebied.
De Nederlandse moderne walvisvaart duurde tot 1964. In totaal voerden de expedities achttien tochten uit en werden bijna 28.000 walvissen gevangen. De reden om te stoppen was wederom economisch: er kwamen betere en goedkopere alternatieven voor margarine, de opbrengsten daalden en er ontstond steeds meer internationale druk tegen grootschalige walvisvangst. Uiteindelijk werd de Willem Barendsz verkocht aan Japan, een land dat – samen met IJsland en Noorwegen – tot op heden commercieel blijft jagen op walvissen.
Tegenwoordig is walvisjacht in Nederland verleden tijd; wat rest is toerisme en wetenschappelijk onderzoek. De geschiedenis illustreert hoe nood, techniek en handel samen leidden tot een grootschalige industrie die grote druk op populaties uitoefende en uiteindelijk onhoudbaar bleek.