China domineert 66 van de 74 sleuteltechnologieën, hoe groot is de achterstand van de VS en Europa?

dinsdag, 24 februari 2026 (10:07) - Techniek & Wetenschap

In dit artikel:

De recente metingen wijzen erop dat China in technologische en wetenschappelijke innovatie inmiddels een dominante positie heeft veroverd. Volgens de Critical Technology Tracker van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI), die landen vergelijkt op acht R&D-domeinen en tientallen subcategorieën, was de Verenigde Staten tussen 2003–2007 nog leidend in bijna alle velden. In de update van december 2025 staat China echter bovenaan in 66 van de 74 subcategorieën, met bijzondere sterkte in geavanceerde materialen, robotica/transport en energie/milieu. De Chinese Academie van Wetenschappen blijkt in veel disciplines het invloedrijkste instituut te zijn.

De omslag is grotendeels toe te schrijven aan een snelle opschaling van investeringen en een andere organisatie van onderzoek. China steeg van circa 0,6% van het bbp aan R&D begin deze eeuw naar ongeveer 2,7% in 2024; in absolute termen spendeerde China dat jaar naar schatting 810 miljard dollar (PPP), naast ongeveer 900 miljard door de VS. Een groot deel (ongeveer 79%) van die uitgaven komt uit het bedrijfsleven, en veel onderzoek is specifiek gericht op toegepaste wetenschap: volgens de Nature Index komt 56% van de toppublicaties in toegepast onderzoek uit China, tegenover ongeveer 10% uit de VS.

Dat vertaalt zich ook in aantallen patenten: in 2024 vroegen Chinese instellingen en bedrijven ongeveer 1,8 miljoen patenten aan — bijna de helft van het wereldtotaal. Tegelijk wijzen analyses zoals van IEEE Spectrum erop dat westerse patenten gemiddeld meer citatie-impact hebben, en dat hoge wetenschappelijke output niet automatisch betekent dat China ook telkens technologisch of industrieel de beste producten levert (voorbeeld: vliegtuigmotoren en halfgeleiders waar China publicaties heeft, maar productkwaliteit en productiecapaciteit soms achterblijven).

Onderzoekers en beleidsanalisten leggen de nadruk op twee verschillen in aanpak. Amerikanen als Rob Atkinson (ITIF) beschrijven de VS als een ‘science society’ die relatief veel overheidsgeld in fundamenteel onderzoek steekt — investeringen die op lange termijn doorwerken in doorbraken (zoals internet of mRNA-technologie). China en sommige andere Aziatische landen zouden meer ‘engineering societies’ zijn: strak gecoördineerde, staats-gestuurde inzet op toegepaste R&D, gekoppeld aan grootschalige industriële productie en een competitieve start-upcultuur. Die combinatie van staatscoördinatie, bedrijfsdrive en massa aan STEM-afgestudeerden (China 3,5 miljoen in 2024, VS 820.000) helpt de snelle vooruitgang.

Politieke cultuur speelt ook een rol. Auteur Dan Wang betoogt dat veel Chinese leiders technici zijn en beleidskeuzes vaak technisch, meetbaar en op uitvoering gericht worden genomen. In de VS overheersen volgens hem juristen en juridische procedures, wat besluitvorming langzamer maakt. Wang en andere commentatoren pleiten ervoor dat westerse landen hun maakindustrie moeten versterken: wie zelf halfgeleiders, batterijen, turbines en zonnepanelen produceert, creëert de economische spin-off die onderzoek en innovatie verder aanjaagt.

ASPI wijst daarnaast op veiligheids- en machtsgevolgen: China past onder meer AI, computer vision en taalmodellen toe voor surveillance en censuur, waarmee technologische voorsprong ook geopolitieke invloed oplevert. Ten slotte blijft transparantie een aandachtspunt: de scheidslijn tussen overheid en bedrijven in China is vaak vaag, waardoor investeringen en prioriteiten moeilijker vergelijkbaar zijn.

Kort samengevat: China is in kwantitatieve termen uitgegroeid tot de leidende grootmacht op veel toegepaste R&D-terreinen door massale investeringen, bedrijfsgedreven R&D, doelgerichte opleiding van technische talenten en strakke coördinatie tussen staat, academie en industrie. Dat geeft het land strategische voordelen, maar kwaliteit, industriële volwassenheid en de politieke context bepalen in hoeverre die wetenschappelijke dominantie zich vertaalt in duurzame, hoogwaardige technologische macht.