Bidirectioneel laden kan je duizenden euro's besparen, maar de wet laat het niet toe
In dit artikel:
Een recente studie van de University of Michigan en Ford, gepubliceerd in Nature Energy, laat zien dat bidirectioneel laden — vehicle-to-home (V2H) — EV-batterijen kan transformeren tot mobiele thuisaccu’s die zowel huishoudens als het elektriciteitsstelsel waarde bieden. In plaats van alleen energie te verbruiken, kan een elektrische auto opgeslagen stroom terugleveren aan een woning op momenten dat stroom goedkoop of schoner is, bijvoorbeeld bij overvloed aan zonne-energie.
De onderzoekers modelleerden V2H-scenario’s met een middelgrote elektrische SUV voor 432 Amerikaanse regio’s en hielden rekening met variaties in prijzen, CO2-intensiteit en klimaat. Resultaat: huishoudens zouden gedurende de levensduur van de auto 40–90% op laadkosten kunnen besparen — ongeveer 2.400 tot 5.600 dollar per voertuig — en de totale huishoudelijke broeikasgasuitstoot met gemiddeld 24–57 ton CO2 kunnen terugdringen. Dat komt neer op een reductie van 70–250% ten opzichte van de gebruikelijke emissies door huishoudelijk elektriciteitsverbruik, doordat verbruik wordt verplaatst naar momenten met een schonere netmix.
De uitkomsten tonen het potentieel om EV’s niet alleen als vervoersmiddel maar ook als energie‑asset in te zetten, stelt assistent‑professor Parth Vaishnav. De studie is echter primair gebaseerd op Amerikaanse omstandigheden: tariefstructuren, netregels en vergoedingen wijken flink af van die in Europa, waardoor directe overdraagbaarheid beperkt is.
Technisch is bidirectioneel laden al grotendeels mogelijk: meerdere EV-modellen ondersteunen de ISO 15118-20-standaard en bidirectionele laadpalen zijn commercieel beschikbaar. De belangrijkste hinderpalen zijn juridisch en regulatoir. Huidige wetgeving onderscheidt consumenten vaak als óf verbruiker óf producent, waardoor onduidelijkheden ontstaan rond energiebelasting, netkosten en mogelijke dubbele heffing bij teruglevering. Netbeheerders vrezen ongecoördineerde teruglevering voor stabiliteit en veiligheid, en er ontbreekt een helder aansprakelijkheidskader voor schade bij falende software of sturing.
In Nederland lopen diverse pilots met V2G en V2H, vooral vanwege toenemende netcongestie en veranderingen in salderingsregelingen. Opschaling vereist echter aanpassingen in wet- en regelgeving, duidelijke marktrollen, uniforme communicatie- en beveiligingsstandaarden en afspraken over garanties en aansprakelijkheid. Conclusie: de techniek staat klaar en het potentieel is groot, maar beleidsmakers en netbeheerders moeten barrières wegnemen om V2H op grote schaal bruikbaar en financieel aantrekkelijk te maken.