Bestaat boerenverstand echt?
In dit artikel:
Het begrip “boerenverstand” heeft de afgelopen eeuwen van lading veranderd. Oorspronkelijk werd het in Nederland vooral neerbuigend gebruikt: schrijvers in de negentiende eeuw (onder meer Jacob Vosmaer en andere essayisten rond 1816) gebruikten de term om aan te geven dat iemands inzicht stopte bij praktische, landbouwhandelingen — kortom: niet veel theorie of geleerdheid. Dat paste in een tijd waarin veel plattelandsbewoners niet konden lezen of schrijven en intellectuele elites taal gebruikten om sociale verschillen te markeren.
Tegenwoordig is boerenverstand vaak een compliment geworden. Politici zoals Caroline van der Plas (BBB) hullen het begrip in een positieve, electorale betekenis; bij een demonstratie in Den Haag in 2020 pleitte zij ervoor om praktisch inzicht blijvend in de Tweede Kamer te verankeren. De BBB benadrukt dat praktische, ervaringsgerichte kennis waardevol is naast academische kennis.
Wetenschappelijk bewijs dat boeren intelligenter of juist minder intelligent zouden zijn dan anderen ontbreekt; er zijn geen aanwijzingen dat boerderijen een andere rangorde qua “slimheid” opleveren. Wel tonen neurowetenschappelijke en gedragsstudies dat hersenen en vaardigheden zich aanpassen aan leefomgeving en beroep. Een groot Europees onderzoek uit 2022 vond dat plattelandsbewoners gemiddeld een beter ontwikkeld richtingsgevoel hebben dan stadsbewoners — waarschijnlijk doordat bochtige, minder geordende wegen andere ruimtelijke vaardigheden trainen dan het raster van veel steden. Een studie van de Universiteit van Heidelberg (2011) liet zien dat stadsmensen en plattelandsbewoners anders op stress reageren en verschillende patronen van hersenactiviteit kunnen hebben.
Belangrijk is dat de meeste onderzoeken eigenlijk stads‑tegen‑platteland vergelijken en niet per se boeren tegen niet‑boeren. In dorpen wonen tegenwoordig ook veel theoretisch geschoolde mensen, waardoor uitspraken over “boeren” als homogene groep wetenschappelijk zwak zijn.
Kortom: boerenverstand is geen objectieve maatstaf voor intelligentie, maar een culturele en retorische term die van strekking verschuift. Soms verwijst het terecht naar praktische wijsheid die theorie aanvult; vaak wordt het gebruikt in debatten om een punt te maken. Ironisch genoeg is die inzet van “praktische nuchterheid” vooral een theoretische tactiek in publieke discussies.