Als een walvis aanspoelt, wat doen we dan met het kadaver? Quest liep mee met de experts.
In dit artikel:
In april 2026 spoelde een dode potvis aan bij Renesse (Zeeland). Onderzoekers van de Universiteit Utrecht — onder leiding van strandingsonderzoeker Lonneke IJsseldijk en veterinaire patholoog Nadiah van Eijk — begonnen meteen een forensisch onderzoek om te achterhalen wat het dier fataal werd. Quest-redacteur Soraya volgde het werk op het strand en later in het laboratorium.
Op het strand werkte een team onder moeilijke omstandigheden: het karkas was al begonnen te ontbinden, de vloed bedreigde sporen en het gewicht van het dier maakte handwerk onmogelijk. Onderzoekers gebruikten graafmachines om stukken blubber en ingewanden los te krijgen, maakten metingen en namen tal van monsters (huid, organen, maaginhoud, swabs). Een geïmproviseerde dam moest het water tegenhouden maar brak uiteindelijk, waardoor het meeste werk tijdelijk stilviel en veel van het materiaal weer door elkaar werd gespoeld.
Praktische details tonen hoe ruig veldwerk is: monsters werden verzameld in een mobiele ‘walviskar’, grote blubberblokken werden in bakken gehesen en lichaamsdelen in potjes bewaard — sommige stukjes lever in formaline voor histologie, andere weefsels ingevroren voor microbiologie. In het lab zetten Van Eijk en collega’s kleine plakjes weefsel (microtomsneden) onder de microscoop om te zoeken naar aanwijzingen zoals water in de longen (verdrinking) of intracellulaire insluitlichaampjes (virussen).
Wageningse onderzoeker Mardik Leopold ontleedde de maag en spoelde daarin een schoenendoos vol visbotjes schoon. De soorten (meerdere zeeduivels, kabeljauw, zeedonderpadden en enkele andere soorten) wezen erop dat de potvis recentelijk had gegeten en vermoedelijk vanuit het noorden de Noordzee was binnengeslagen. Dat past bij het beeld dat het dier niet sterk verzwakt of ernstig ziek was vlak voor de stranding: de blubberlaag was goed en er werden geen belangrijke ziekteverwekkers gevonden.
De cruciale bevinding kwam uit het onderzoek van een rugwond van ongeveer anderhalve meter: onder de microscoop lagen rode bloedcellen buiten bloedvaten, wat betekent dat het letsel door een klap is ontstaan toen het weefsel nog doorbloed was — dus ante-mortem. Op basis daarvan schatten de onderzoekers dat de potvis minuten tot uren ná de botsing is gestorven. Hiermee is de hoofdverdachte geïdentificeerd: een schroef van een schip. IJsseldijk benadrukt echter dat de wond alleen niet per se direct fataal leek; het dier was naar alle aanwijzingen relatief gezond en had kort voor de stranding gegeten.
Er blijven vragen open. Potvissen horen normaal niet thuis in de ondiepe Noordzee; waarom dit exemplaar daar zwom is onduidelijk — mogelijke oorzaken zijn ziekte, navigatiefout of verzwakking. En ook de precieze omstandigheden van de botsing en hoe de potvis precies is gestrand zijn nog niet volledig gereconstrueerd. Het veldwerk en het laboratoriumonderzoek leverden veel puzzelstukjes op: de probable cause (schroefschade) en dat de beet vóór of tijdens het leven plaatsvond, maar niet het complete verhaal van hoe en waarom het dier in die positie terechtkwam.
Kort gezegd: de dode potvis werd forensisch onderzocht op strand en in het lab; maag- en weefselonderzoek wijzen op een recent gegeten maaltijd en een gezonde conditie, microscopie toont levend ontstaan van de rugwond, en onderzoekers houden een aanvaring met een scheepschroef voorals hoofdverdachte — maar het volledige mysterie van zijn aanwezigheid in de Noordzee en de exacte overlijdensomstandigheden blijft onopgelost. To be continued.