Achter de schermen bij het KNMI: zo maken ze daar een weerbericht

woensdag, 20 mei 2026 (08:11) - Quest.nl

In dit artikel:

Bij het KNMI in De Bilt laten meteorologen zien hoe weersverwachtingen echt tot stand komen: met weerballonnen, satellietdata, radars en supercomputers — en met veel onzekerheid. Tijdens een donderdagmiddagrapportage werd een radiosonde en een ozonsonde opgelaten; zulke ballonmetingen vinden elke nacht plaats, en iedere donderdagmiddag wordt extra op ozon gemeten. De sonde klimt tot ruim 30 kilometer en registreert temperatuur, luchtvochtigheid, wind en druk iedere seconde. Daarmee vullen ze de beginsituatie voor numerieke weermodellen aan: onmisbare, directe metingen die satellieten vaak niet zo fijnmazig of niet door bewolking heen kunnen doen.

KNMI-medewerkers (onder wie klimaatadviseur Lone Mokkenstorm en satellietonderzoeker Igor Nedeljkovic) benadrukken dat meteorologie geen glazenbol is: ze spreken liever van een weersverwachting dan van een voorspelling. De meetgegevens van sondes, vliegvelden, boeien en satellieten worden in modellen gestopt — onder andere het Europese ECMWF en het eigen Harmonie-model — die berekenen hoe de atmosfeer zich ontwikkelt. Maar een kleine verstoring in de beginsituatie kan later grote verschillen veroorzaken; daarom nemen meteorologen ensemble‑berekeningen (de ‘pluim’) om de onzekerheid te duiden. Voor de eerste dagen levert dat bruikbare, gedetailleerde verwachtingen op; twee weken vooruit kom je terecht in een breed spectrum aan uitkomsten en is het grotendeels giswerk.

Praktische en technische beperkingen spelen mee. Hogere resolutie (kleinere gridcellen) verbetert kleinschalige details, maar kost veel rekenkracht; daarom worden er keuzes gemaakt tussen nauwkeurigheid, gebiedsgrootte en looptijd. Het KNMI draait zijn Harmonie‑model op een supercomputer op IJsland, die geothermische energie gebruikt en een uur nodig heeft voor een 2×2 km‑resolutie over heel Europa. Ook nieuwe technieken zoals AI worden getest, maar die leunen op historische patronen en schatten extreme, zeldzame gebeurtenissen vaak slecht in — menselijke expertise blijft dus cruciaal.

De zoektocht naar de neergedaalde sonde illustreert de praktijk: honderden tegelijk worden in heel Europa opgelaten en kunnen meters ver afdrijven; radioamateurs volgen en bergen regelmatig sondes op. Tijdens de reportage leidde zo’n achtervolging langs Zoetermeer naar een fanatieke vinder die zijn 231e sonde had opgespoord en terugbrengt naar het KNMI.

Tot slot speelt de straalstroom hoog in de atmosfeer een sleutelrol voor Nederlands weer: deze smalle, krachtige windbaan stuurt depressies en hogedrukgebieden en bepaalt in grote lijnen of we nat en winderig of juist rustig weer krijgen. De combinatie van precisie‑metingen, rekenkundige modellen en experience maakt duidelijk waarom weerapps voor de korte termijn redelijk betrouwbaar zijn, maar voor langere periodes grote fouten kunnen tonen.