5 nieuwe woorden die duidelijker maken wat 'liefde' is

vrijdag, 8 mei 2026 (08:11) - Quest.nl

In dit artikel:

Quest werkte met vier wetenschappers samen om de veelkleurigheid van 'liefde' taaltechnisch te ordenen en stelde vijf nieuwe termen voor, omdat het Nederlandse woord liefde alle relaties onder één noemer brengt. Taalkundige Hedde Zeijlstra wijst erop dat één woord vaak volstaat: verschillende dichtbije betekenissen hebben niet per se aparte termen nodig. Toch bestonden er vroeger meer onderscheidende woorden in het Nederlands (zoals 'minne'), en andere talen — bijvoorbeeld het Oudgrieks en het Sanskriet — kennen veel meer nuance.

De gebruikte experts: Johan Karremans (sociale psychologie, Radboud Universiteit), Mark van Vugt (evolutionaire psychologie, Vrije Universiteit), Peter Bos (biologische aspecten van zorgrelaties, Universiteit Leiden) en Zeijlstra. Zij leggen uit dat liefde op drie niveaus te bestuderen is: als stabiel sentiment (hoe iemand zich doorgaans voelt), als fluctuerende emotie (piekervaringen van verliefdheid) en als observeerbaar gedrag (zorg, steun, reacties). Die drie lagen beïnvloeden elkaar continu.

Om verschillende relaties scherper te benoemen introduceert Quest vijf nieuwe woorden en licht hun achtergrond toe:

1) Passionata — romantische of seksuele liefde: de klassieke partnerbinding die vaak samenhangt met voortplantingsvoordelen en sterke emotionele pieken. Biologisch spelen dopamine en adrenaline een rol tijdens verliefdheid; oxytocine draagt bij aan het kalmerende, hechtende gevoel dat relaties duurzaam maakt.

2) Hartverwant — ouderschap en liefde voor kinderen: evolutionair gericht op investeren in nakomelingen (gedeelde genen), maar ook sterk bepaald door gedrag en zorg. Hormonale processen rondom zwangerschap en borstvoeding geven moeders soms een voorsprong, maar primaire verzorging door vaders of anderen kan hetzelfde hechtingssysteem activeren. Zorggedrag vergroot liefde; het omgekeerde geldt ook: zorgen kan liefde doen ontstaan.

3) Bloedwarmte — broer-zusrelaties: typische mengeling van onbevangen bescherming en concurrentie. Vanuit evolutionair oogpunt willen we familie beschermen, maar tegelijk kunnen belangen conflicteren. Seksuele afkeer tussen jeugdgenoten die samen opgroeien (Westermarck-effect) werkt incestpreventief en komt ook bij pleeggezinnen voor.

4) Amicore — vriendschapsliefde: gekozen banden die vaak gebaseerd zijn op wederkerigheid en betrouwbaarheid. Vriendschappen bieden sociale zekerheid: mensen investeren in vrienden met het idee dat die steun later terugkomt. Psychologisch belangrijke gedragingen zijn emotionele steun en 'kapitalisatie' — de manier waarop je reageert als iemand goed nieuws deelt, bepaalt sterk of diegene zich geliefd voelt.

5) Autamorie — zelfliefde: acceptatie en veilig zelfbeeld. Een tekort daaraan koppelt vaak aan onveilige hechting en kan relaties onder druk zetten, maar het is veranderbaar: stabiele, veilige partnerschappen en meditatieve oefeningen (zoals loving-kindness) kunnen zelfwaardering en empathie vergroten.

Karremans benadrukt dat liefde ook te trainen is via gerichte oefeningen en gedragsverandering. Taalkundig blijft het echter onwaarschijnlijk dat nieuwe woorden van bovenaf ingang vinden; Zeijlstra verwacht dat termen alleen vanzelf levensvatbaarheid krijgen. De voorgestelde woorden bieden vooral een handvat om verschillend liefdesgedrag en -ervaringen duidelijker te bespreken.